Filosoof: universiteiten tellen honderden hoogleraren gender studies, nauwelijks kernenergie-onderzoekers

Aan Duitse universiteiten werken naar schatting zo'n 125 hoogleraren gender studies. Onderzoekers die zich fulltime bezighouden met kernenergie zijn op de vingers van een paar handen te tellen. Die verhouding is geen toeval, betoogt filosoof Filip Buekens in een interview met journalist Roan Asselman voor Wynia's Week. Hij legt uit hoe radicale ideeën — waaronder genderideologie — zich in de wetenschap en de bredere samenleving kunnen nestelen, terwijl praktisch en empirisch onderzoek ondertussen structureel onderbedeeld blijft.

Waarom tellen aantallen hoogleraren wél iets

Buekens' punt is niet dat gender studies als vakgebied niets zou mogen kosten. Het gaat hem om de verhouding: waarom groeit een veld dat draait om identiteit en interpretatie zo hard, terwijl een discipline met directe relevantie voor energiezekerheid en klimaatbeleid marginaal blijft? "Waar liggen onze wetenschappelijke prioriteiten eigenlijk?", vraagt hij zich af. Zijn antwoord ligt niet in een complot, maar in hoe universiteiten en media beoordelen wat aandacht verdient.

Emotie wint het van bewijs

Volgens Buekens verspreiden radicale ideeën zich niet omdat ze empirisch het sterkst onderbouwd zijn, maar omdat ze emotioneel aantrekkelijk zijn. Een simplistisch verhaal — zoals de gedachte dat economie een nulsomspel van diefstal is, of dat gender volledig losstaat van biologie — overtuigt sneller dan een genuanceerd, empirisch verhaal, ook al ontbreekt de onderbouwing. Eenmaal aangenomen zijn zulke ideeën bovendien moeilijk los te laten: het opgeven ervan voelt als een persoonlijke nederlaag, niet als bijstellen van een mening op basis van nieuwe feiten.

Aandacht als verdienmodel binnen de wetenschap

Een tweede mechanisme dat Buekens beschrijft is de academische prikkelstructuur zelf. Wetenschappers en intellectuelen bouwen aanzien op met opvallende, nieuwe claims — niet met zorgvuldig, incrementeel werk dat weinig aandacht trekt. Mainstream media versterken dat: ze belichten selectief wat aandacht trekt en spelen daarbij in op bevestigingsbias en verlies-aversie bij hun publiek, in plaats van het inhoudelijke debat te voeren. Buekens signaleert dat dit mechanisme historisch aan beide kanten van het politieke spectrum heeft gewerkt, maar dat het nu zichtbaar is in de manier waarop postkoloniale theorie, activisme en radicale gendertheorie elkaar overlappen en versterken.

Wat dit betekent voor het gendervraagstuk

Voor wie zich afvraagt hoe een relatief jong en methodologisch omstreden vakgebied als gender studies zo'n stevige institutionele voet aan de grond kreeg, terwijl kritische, empirische vragen over bijvoorbeeld puberteitsremmers en hormoonbehandelingen bij minderjarigen lange tijd nauwelijks een podium kregen, biedt Buekens' analyse een verklaring die verder gaat dan verontwaardiging alleen. Niet de kwaliteit van het bewijs bepaalt welke ideeën dominant worden, maar de mate waarin ze aansluiten bij emotie, aandacht en instituties die daarop zijn ingericht. Dat is precies waarom nuchtere, cijfermatige kritiek — zoals die op deze site regelmatig aan bod komt — zo hard nodig blijft: ze compenseert een systeem dat vanzelf naar het spectaculaire neigt, niet naar het onderbouwde.

Bram Kortekaas

Bram Kortekaas

Redactie

Veelgestelde vragen

Wie is Filip Buekens?

Filip Buekens is een filosoof die in een interview met Wynia's Week-journalist Roan Asselman analyseert hoe radicale ideeën, waaronder genderideologie, zich in academische instituties en de bredere samenleving verspreiden.

Waarom zijn er zoveel meer hoogleraren gender studies dan kernenergie-onderzoekers?

Volgens Buekens komt dit doordat radicale, emotioneel aansprekende ideeën makkelijker aandacht en institutionele steun krijgen dan zorgvuldig, empirisch onderzoek dat minder spectaculair oogt maar wel praktisch relevant is.

Wat heeft dit te maken met de discussie over genderzorg?

Buekens' analyse verklaart mede waarom kritische, empirische vragen over bijvoorbeeld puberteitsremmers lange tijd weinig podium kregen: niet de kwaliteit van het bewijs, maar de mate van emotionele en institutionele aantrekkingskracht bepaalde welke ideeën dominant werden.